Burgerservicenummer (BSN)

Het unieke Nederlandse persoonsnummer: wie het mag gebruiken op grond van artikel 46 UAVG, waarom het geen bewijs is en wat wallets in plaats daarvan dragen.

Het unieke persoonsnummer dat de Nederlandse staat aan een natuurlijke persoon toekent, geregeld in de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. Het wordt toegekend bij inschrijving in de Basisregistratie Personen, voor niet-ingezetenen via het register voor niet-ingezetenen, en het blijft een leven lang bij de persoon.

Wie het mag gebruiken is strak begrensd. Overheidsorganen gebruiken het voor hun wettelijke taken. Voor alle anderen komt de regel uit artikel 46 UAVG: een nationaal identificatienummer mag worden gebruikt ter uitvoering van de wet die het voorschrijft, of voor een bij wet bepaald doel. Sommige sectoren hebben zo'n basis, zorg en arbeid zijn de bekende voorbeelden. Een private aanbieder zonder die basis mag het niet verwerken, en toestemming maakt die basis niet.

Het tweede om scherp te houden is wat een BSN als bewijs waard is. Het is een identificator, geen geheim en geen credential: het staat op documenten en in correspondentie, dus een nummer kennen bewijst niets over de persoon die het noemt. Elk proces dat een BSN als authenticatie behandelt, is fout ontworpen. Echte identiteitsverificatie leest een documentchip of controleert een register; het BSN is alleen de sleutel waarmee je daarna het juiste record aanwijst. In de walletwereld geldt dezelfde discipline: PID draagt alleen een administratief nummer waar de regels daarin voorzien, en een vertrouwende partij hoort te vragen om het attribuut dat hij nodig heeft en niet om een nationaal nummer.

Veelgestelde vragen

Terug naar begrippenlijst